23 maart 2021

Hoe remonstrants was schrijver Simon Vestdijk?

Geschreven door Peter Nissen
Ben je van plan Remonstrant te worden?’ ‘Neen. Mijn geloofsovertuiging blijf ik trouw. Ik sluit mij nergens meer bij aan, ik heb daar genoeg van. Dat neemt niet weg, dat ik alle Contraremonstranten, alle trouwe Calvinisten, op mijn vader na, met het grootste genoegen zou vermoorden.’ Een citaat uit de roman ‘De vuuraanbidders. Roman uit de Tachtigjarige Oorlog’ van Simon Vestdijk. Vandaag is het vijftig jaar geleden dat de schrijver Simon Vestdijk (1898-1971) overleed.

Volgens de dichter Adriaan Roland Holst schreef Vestdijk sneller dan God kan lezen. Vestdijk zelf zal dat een zorg geweest zijn. Hij had een remonstrantse opvoeding gehad, maar had daarmee gebroken en had aan de kerk geen boodschap meer.

Mystiek – introvert

Met religie was hij echter nog lang niet klaar. Het fenomeen bleef hem boeien. In zijn beschouwende boek ‘De toekomst der religie’ uit 1947, voortgekomen uit een aantal lezingen die hij in 1943 tijdens de Tweede Wereldoorlog als gijzelaar hield in het gevangenenkamp in Sint-Michielsgestel, onderscheidt hij drie typen mensen in relatie tot religie.

Het eerste type is het metafysische type, dat min of meer vasthoudt aan het klassieke geloof, dan het sociale type, dat gelooft in de opbouw van een rechtvaardige samenleving, en tenslotte het mystiek-introverte type, voor wie geloof helemaal is losgemaakt van uiterlijke dwang en van de conventie van dogma’s en kerk. Als Vestdijk ergens thuishoorde, dan was het bij dat derde type, dat hij ook met de meeste sympathie beschrijft en waarvoor hij ook de meeste toekomst ziet. In dat opzicht was hij naar mijn gevoel nog door en door remonstrants.

In de 52 romans van Vestdijk duiken religieuze thema’s met grote regelmaat op. Soms verhuld, zoals in ‘De kelner en de levenden’ uit 1949, soms openlijk, zoals in ‘De nadagen van Pilatus’ uit 1938 of in de laatste volledige roman van Vestdijk, ‘Het proces van Meester Eckhart’, verschenen in 1969. Er zou een mooie dissertatie in zitten om dat eens allemaal uit te zoeken.

De vuuraanbidders

Zijn eigen achtergrond, die van de Remonstranten, komt het meest uitdrukkelijk aan de orde in de omvangrijke roman (585 bladzijden in de eerste druk) ‘De vuuraanbidders’, die in 1944 geschreven werd en in 1947 in druk verscheen. Hij vertelt het verhaal van Gerard Criellaert, zoon van een strakke calvinistische vader en een zachtaardige doopsgezinde moeder. Gerard wordt verliefd op de dochter van een remonstrantse predikant en trouwt, na allerlei moeilijkheden, ook met haar. Zij biedt onderdak aan de ondergronds opererende remonstrantse predikant Passchier de Fijne, bijgenaamd ‘het ijsvogelken’ (hij zou zich op schaatsen van de ene plaats naar de andere plaats begeven om zijn verboden preekdiensten te houden) en wordt daarom opgepakt.

Als Gerard voor de schout verschijnt, ontwikkelt zich een boeiende gesprek, waarin Gerard zegt: “Alleen dit, Heer Schout: dat ik dominee Paschier onderdak heb verleend op aandringen van mijn vrouw….’ ‘Vandaar dat zij gevangen genomen is, en niet u,’ zei hij, ietwat minachtend, ‘maar u kunt niet ontkennen, dat u op de hoogte was.’ ‘Zeker niet. Ik wil mij ook niet achter mijn vrouw verschuilen. Waar ik alleen op wijs is, dat ikzelf niets voor de Arminianen voel, – iets dat ik vroeger herhaalde malen bewezen heb, – en alleen door mijn huwelijk met een Arminiaansche in omstandigheden ben geraakt, die daaraan zouden kunnen doen twijfelen. Maar ik verzoek u míj te straffen, en niet mijn vrouw.”

Zonder God zelf verantwoording dragen

Gerard is zelf het geloof in God kwijtgeraakt, maar is daardoor niet minder gewetensvol geworden. Integendeel, zo maakt de roman duidelijk: zonder zich op een God te kunnen beroepen moet Criellaert nu zelf verantwoording dragen voor zijn daden en besluiten. Hij hoort zijn geweten duidelijker spreken dan ooit? Is die innerlijke stem dan misschien toch God? Vestdijk laat het in het midden. De slotzin van de roman luidt: “En wie mij zegt, dat het de stem van God is, die in deze veroordeeling waarneembaar wordt, heb ik maar met éen gebaar te antwoorden: mijn wijzende hand op mijn eigen borst.” Maar ook die nadruk op het afleggen van gewetensvolle verantwoording kon wel eens een remonstrants trekje zijn in Criellaert en in Vestdijk.

In een artikel over ‘Geloof en ongeloof bij Simon Vestdijk’ in het tijdschrift ‘In de waagschaal’ heeft Wessel ten Boom in 2018 laten zien dat bij Vestdijk niet de vraag van geloof of ongeloof de centrale kwestie is, maar wel de vraag naar de liefde. Daar draait het om, en geloof en ongeloof worden daaraan afgemeten. Niets mis mee, zou ik zeggen, en reden genoeg om Vestdijk weer te herlezen, vijftig jaar na zijn dood.

Over Peter Nissen

Peter Nissen

Peter Nissen is remonstrants predikant in Nijmegen, hoogleraar oecumenica aan de Radboud Universiteit en waarnemend rector van het Remonstrants Seminarium