25 oktober 2020

Overdenking 25 oktober

Geschreven door riekje

Psalm 24: 1-6 en 9-10.

Van David, een psalm.

Van de LEVENDE is de aarde en alles wat daar leeft,

de wereld en wie haar bewonen,

hij heeft haar op de zeeën gegrondvest,

op de stromen heeft hij haar verankerd.

 

Wie mag de berg van de LEVENDE bestijgen,

wie mag staan op zijn heilige plaats?

Wie reine handen heeft en een zuiver hart,

zich niet inlaat met leugens

en niet bedrieglijk zweert.

 

Zegen zal hij ontvangen van de LEVENDE

en recht verkrijgen van God, zijn redder.

Dat valt hun ten deel die u zoeken,

die zich tot u wenden – het volk van Jakob.

Hef, o poorten, uw hoofden omhoog,

verhef ze, aloude ingangen:

de koning vol majesteit wil binnengaan.

Wie is hij, die koning vol majesteit?

De LEVENDE van de hemelse machten,

hij is de koning vol majesteit.

Een mens is op weg naar de tempel. Je voelt als het ware het verlangen om de tempel te bezoeken en om daar het contact met het heilige, met de Levende, te ervaren. En aan het eind van de psalm is daar het heilige, de majesteit, de glorie van de Levende. Hef uw hoofden omhoog, kop op. Zelfs de poorten worden daartoe opgeroepen. Zijn ze anders te klein om de koning vol majesteit door te laten?

Het verlangen dat in het lied wordt geuit, kan ons aanspreken, ook al is het niet meer helemaal onze taal. We weten misschien niet zo goed meer wat we bedoelen met woorden als God, heiligheid, de majesteit van de koning, van God. Ik stel me zo voor, dat de dichter zich dat helemaal niet afvroeg. Waarom zou hij dat allemaal voor zichzelf willen invullen?  Het was de werkelijkheid waarin hij leefde.

Misschien staat de psalmdichter toch dichter bij ons dan we denken. Dan denk ik niet alleen aan de kerkgang op zondag, die we nu moeten missen. Het raakt aan veel meer. Ik herken in zijn woorden het verlangen om ergens even de glans op te vangen van het onnoembare … Vaak is het weg voordat we het zien: wat we vasthouden is misschien slechts de herinnering. Maar toch. Even was er die aanwezigheid, het heilige, was daar De Levende.

Daar zijn, in de tempel, bij die heiligheid: op een plaats voor rust voor de ziel. Ik stuurde u deze week een tekst van Bert Schierbeek: ‘Hoe, als je je met zorgeloosheid kon omringen, en dat dat je ruimte was’. Voor mij gaat dat ook over zielerust. Hoe dat te vinden?

Beelden die cirkelen rond dat waarnaar we verlangen, maar wat eigenlijk niet in woorden te vangen is. Daarom kan poëtische taal helpen, de taal van de psalmdichter, de taal van Bert Schierbeek, de kleuren van een schilder.

Maar laten we teruggaan naar het begin van de psalm.

De psalm begint niet met dat verlangen dat ik hiervoor noemde. De psalm begint met een lofzang – met de erkenning van een geheim waar ook wij, mensen, deel van uitmaken: de grond van alle bestaan. In de taal van de psalmdichter: de schepper. De dichter loopt daar niet zomaar tussen die drommen mensen die op weg zijn naar de tempel. Zijn gedachten en zijn hart richten zich op die bron.

Hij heeft er al weet van. Misschien herinnert hij zich eerdere keren waarin die glans van het heilige hem had getroffen. Daarom kan hij met een lofzang beginnen. En die lofzang zelf kan hem optillen, hem helpen om weer de aanwezigheid van het heilige mee te maken. Zoals deze psalm ons misschien daarbij kan helpen, als we ervoor openstaan.

Het ontmoeten van God, het ervaren van het heilige, vraagt om een innerlijke houding. Maar meer nog dan dat: het vraagt om een levenshouding.

Wie mag de berg van de LEVENDE bestijgen,

wie mag staan op zijn heilige plaats?

Wie reine handen heeft en een zuiver hart,

zich niet inlaat met leugens

en niet bedrieglijk zweert.

Reine handen: schone handen, niet besmeurd door onrecht. Zeker, maar in de traditie van de psalmdichter is het meer dan dat. Reinheid is ook of vooral rituele reinheid. Het is hoe je voor God staat, met heel je leven, met al je gedrag. Niet alleen door offers te brengen, rituelen te beoefenen, naar de tempel te gaan, maar steeds. In al je handelen zou dat besef van je relatie met de Levende aanwezig moeten zijn. Vanuit dat beeld van reinheid kun je dat ‘reine handen’ hier lezen. Bewust leven, bewust handelen, vanuit het besef van die relatie met de Levende, bron van ons bestaan. Het bewustzijn van dat verband is niet los te zien van ons gedrag naar andere mensen, andere schepselen, alles om ons heen. Alles en allen verdienen onze oprechte aandacht, zonder onszelf of de eigen kring voorop te stellen. Ze verdienen dat, omdat God de schepper van alles is, ook van ons. Omdat wij deel uitmaken van dat alles, en omdat dat alles met ons is verbonden.

De psalm laat twee kanten laat zien die we beide nodig hebben:

  • Tijden van meditatie en contemplatie:
    Het ontmoeten van het heilige: het ervaren van de Levende, als een kracht die ons steunt
  • Bewust leven, een leven dat het besef van verbondenheid wakker houdt – het besef van relatie met dat wat we God kunnen noemen
    Een leven waarin we soms even raken aan het heilige; Waarin we moed en inspiratie kunnen ontvangen, als we ons daarvoor open stellen. Niet alleen op zondag, maar alle dagen van ons leven.

Het één kan niet zonder het ander. Beide lopen ook in elkaar over. Maar wat te doen? Doe wat je hand vindt om te doen, vertelt Prediker ons. Meer hoeft niet, is mijn gedachte daarbij. Maar ook: wees opmerkzaam, zodat je dàt niet mist. Wat komt er op je pad?

Ik moest denken aan het verhaal dat Matteus Jezus laat vertellen, aan het eind van allerlei gelijkenissen over ‘de komst van de mensenzoon’.

Wanneer de Mensenzoon komt, omstraald door luister en in gezelschap van alle engelen, zal hij plaatsnemen op zijn glorierijke troon. Dan zullen alle volken voor hem worden samengebracht en zal hij de mensen van elkaar scheiden zoals een herder de schapen van de bokken scheidt; de schapen zal hij rechts van zich plaatsen, de bokken links. Dan zal de koning tegen de groep rechts van zich zeggen: “Jullie zijn door mijn Vader gezegend, kom en neem deel aan het koninkrijk dat al sinds de grondvesting van de wereld voor jullie bestemd is. Want ik had honger en jullie gaven mij te eten, ik had dorst en jullie gaven mij te drinken. Ik was een vreemdeling, en jullie namen mij op, ik was naakt, en jullie kleedden mij. Ik was ziek en jullie bezochten mij, ik zat gevangen en jullie kwamen naar mij toe.”  Dan zullen de rechtvaardigen hem antwoorden: “Heer, wanneer hebben wij u hongerig gezien en te eten gegeven, of dorstig en u te drinken gegeven? Wanneer hebben wij u als vreemdeling gezien en opgenomen, u naakt gezien en gekleed? Wanneer hebben wij gezien dat u ziek was of in de gevangenis zat en zijn we naar u toe gekomen?” En de koning zal hun antwoorden: “Ik verzeker jullie: alles wat jullie gedaan hebben voor een van de onaanzienlijksten van mijn broeders of zusters, dat hebben jullie voor mij gedaan.”

Of Jezus dat zo verteld heeft, is volgens de huidige inzichten zeer de vraag, en hoe je allerlei beelden zou kunnen duiden – dat laat ik nu grotendeels buiten beschouwing. Het gaat mij om de passage waarin de koning vertelt dat de mensen waarover het hier gaat, hebben gezien wat de mensenzoon, een mensenkind, nodig had en dat ze daarin hebben voorzien. Die mensen reageren verbaasd: wanneer hebben we dat dan gedaan?

Het waren geen grootse, machtige daden. Het waren daden die voortkwamen uit opmerkzaamheid, uit zien wat een ander nodig heeft.

Doen wat mijn hand vindt om te doen. Dat is ook: doen wat bij mij past, bij mijn leven. Het gaat er niet om de hele wereld te veranderen. Een glas water, brood, de deur opendoen als iemand aanklopt. Misschien is het de Messias die voor de deur staat, in welke gedaante dan ook: familie, vriend, bekende, vreemdeling…

Leven vanuit die houding van bewuste aandacht kan eigenlijk altijd, is mijn gedachte. Als we oud of ziek zijn en denken dat we weinig meer kunnen doen – ook dan kunnen we toch die opmerkzaamheid laten zien. We kunnen het voorleven en zichtbaar maken, ook al is dat alleen in kleine daden: soms alleen maar een blik, een gebaar.

Zo leven kan ook in tijden van Corona.

Het kan ook in tijden van oplopende politieke en maatschappelijke spanningen.

We kunnen op weg gaan, bewust levend en bewust handelend. Op weg naar de tempel, zoekend naar rust voor onze ziel en op weg in het leven van alledag. We kunnen proberen te leven vanuit het besef van onze relatie met de Levende. Geraakt door het heilige, als een kracht die in ons is en die ons troost.

Jan van Belle

Gerelateerd