22 maart 2020

Overdenking

Geschreven door Marjan van Hal

Psalm 131, een pelgrimslied van David.

 

Heer, niet trots is mijn hart,

niet hoogmoedig mijn blik.

Ik zoek niet wat te groot is

voor mij en te hoog gegrepen.

 

Nee, ik ben stil geworden

ik heb mijn ziel tot rust gebracht.

Als een kind op de arm van zijn moeder

als een kind is mijn ziel in mij.

 

Israël hoop op de Heer

van nu tot in eeuwigheid.

 

‘Ik ben stil geworden, ik heb mijn ziel tot rust gebracht.

Als een kind op de arm van zijn moeder, als een kind is mijn ziel in mij’.

 

Het zijn mooie woorden van David. De rust en de stilte die hij ervaart vergelijkt hij met het kind dat honger had, huilde, aan de borst van zijn moeder werd gelegd en daarna volkomen verzadigd en voldaan is. Alles wat ie nodig had, heeft ie gekregen. Hij ligt vredig te slapen in de armen van zijn moeder.

Je zou er misschien naar terug kunnen verlangen, geborgen en veilig te zijn in de armen van je moeder.

Onze ziel, ons binnenste, ons hele wezen tot rust gebracht. Niks meer hoeven, niks meer moeten, je veilig weten, geen verwarde, geen verwarrende gedachten en gevoelens, hebben wat je hart verlangt en tevreden zijn met de plek die God je geeft. De onrust tot bedaren gekomen.

David heeft zijn ziel tot rust gebracht, staat er. Door te doen als een kind?

Door troost te vinden in zijn moeders armen?

Of heeft David met zijn ziel juist gedaan als de moeder met haar kind? Ik denk het laatste.

David heeft zijn ziel tot rust gebracht, staat er. De tijd dat je moeder voor je zorgde is voorbij, nu moet je zelf voor je ziel zorgen, als een moeder voor haar kind.

Hoe doe je dat? David zegt hier:

‘Niet trots is mijn hart, niet hoogmoedig mijn blik, ik zoek niet wat te groot is voor mij en te hoog gegrepen’.

Stil worden, dat is zelf eraan werken.

Dat is toegeven dat mijn zorgen niet veel kunnen uitrichten.

Dat is aan God overlaten wat buiten mijn bereik en vermogen ligt.

Dat is dat ik mijn ziel niet langer overschreeuw.

Mijn ziel tot rust brengen, dat is mij verzoenen met mijzelf.

Ik aanvaard mijzelf zoals ik ben.

Met mijn kracht en met mijn zwakheid.

Want ik ben kostbaar in Gods ogen, hij heeft mij lief.

Ik ben geborgen bij hem, ik laat mijn krampachtigheid varen.

 

Je ziel tot rust brengen, het is belangrijk.

De grote kerkvader Augustinus zei het al: mijn hart is onrustig totdat het rust vindt in U.

Bij alles wat altijd aan ons trekt, van buiten en binnen ons, is het van levensbelang onze ziel te voeden, te verzorgen, tot rust te brengen.

Als een moeder haar kind. Leer te kijken naar je ziel als of het je kind is, dat verzorging nodig heeft, waar je verantwoordelijkheid voor draagt.

Zodat je je een kind van God kunt blijven weten en geborgenheid ervaart, ook als tegenslag je pad kruist.

 

Marjan van Hal

Gerelateerd